Leibomen

Voor het kweken en houden van leibomen is een stevige structuur nodig. Bijvoorbeeld grenenhouten palen met een tussenafstand van gemiddeld 3 meter, verbonden door horizontale draden of bamboestokken in verschillende verdiepingen/etages. De etages hebben een minimale afstand van 30cm en de hoeveelheid etages is afhankelijk van de gewenste hoogte. Let op de verhouding kroon/onderstam.

Het geheim van mooie leibomen is regelmatig onderhoud. Het vastbinden van nieuwe twijgen en wegsnoeien van overbodige takken. Bij de beuk en haagbeuk kan volstaan worden met het “scheren” met een heggeschaar. Wij adviseren twee keer per jaar te snoeien.

Leiboom soorten

Enige tijd geleden werd eigenlijk alleen de linde als leiboom gekweekt (leilinde). Tegenwoordig worden meerdere soorten als leiboom gekweekt.

Bladverliezende soorten:

  • Koningslinde (Tilia x europaea “Pallida”)
  • Winterlinde (Tilia cordata “Greenspire”) – bijna volledig bladluisvrij.
  • Plataan (Platanus hispanica) – grootbladig
  • Moerbij (Morus alba ‘Macrophylla’) – grootbladig
  • Veldesdoorn/Spaanse aak (Acer campestre) – kleinbladig met gele herfstverkleuring
  • Amberboom (Liquidambar styraciflua) – mooi rood en purper in najaar
  • Leifruit op hoogstam, zoals de Pyrus calleryana ‘Chanticleer’ met mooie witte bloesem in het voorjaar, draagt echter geen vruchten.

Half bladhoudende soorten:

  • Haagbeuk (Carpinus betulus)
  • Beuk (Fagus sylvatica)

Bladhoudende soorten:

  • Steeneik (Quercus ilex) – matig winterhard
  • Glansmispel (Photinia fraseri ‘Red Robin’) – matig winterhard
  • Portugese laurier (Prunus lusitanica ‘Angustifolia’)
  • Beverboom (Magnolia grandiflora ‘Gallisoniensis’)
  • Laurierkers (Prunus laurocerasus ‘Caucasica’)

Leiboom (espalier) patronen en snoeiwijze

leiboomvormen en kweken